Een glazen doolhof

Tien jaar na Zomervlucht komt Jeroen Brouwers voor de dag met een nieuwe roman, Geheime kamers. Een groots en limpide boek over verlangen en ontgoocheling, huwelijk, overspel en bedrog. Geconstrueerd als een hechte legpuzzel, een woud van symbolen, waarin het verhevenste en het banaalste elkaar afwisselen. Brouwers overwint zijn autobiografische preoccupaties, en schrijft stilistisch meesterlijk over de vraag of het tussen man en vrouw in deze gebroken schepping ooit goed komt.

Onlangs werd de BBC-verfilming van Flauberts Madame Bovary, het archetype van de roman over (des)illusies in de liefde, aangekondigd als 'overspel en ondergang in drie delen'. Drie delen telt ook Geheime kamers, maar vergeleken bij Flaubert maakt Brouwers het gegeven een stuk ingewikkelder. Het hoofdpersonage is geen hunkerende vrouw, maar een man die volstrekt niets weg heeft van een Don Juan. Jelmer van Hoff, achter in de veertig, vanwege zijn faalangst afgekeurd leraar geschiedenis, leeft op een woonboot samen met zijn ziekelijke hond en zijn vrouw Paula Doorenbos. Sinds de geboorte van hun mongoloïde dochter Hanneke is hun huwelijk uitgeblust. Paula heeft het kind nooit kunnen accepteren en heeft Jelmer verboden haar nog aan te raken. Hij denkt vaag aan een dissertatie en komt haast nooit de deur uit. Zijn schommelstoel is het enige dat beweging brengt in zijn leven. Tot hij onverwacht een uitnodiging krijgt voor de inaugurale rede van zijn oude studiegenoot Nico Sibelijn, aangesteld tot professor in de archeologie. Op de receptie ziet hij diens vrouw Daphne weer, een gevierde operazangeres, die hij sinds zijn studietijd nooit is vergeten. Ze belichaamt niet het courante schoonheidsideaal: "nog altijd even mager en zo wasbleek dat haar huid doorzichtig leek. Grote gletsjerblauwe ogen vol troebelten, nerveuzigheden, geheimzinnigheid. Opgewekt en mooi, maar gespannen als telefoondraden. (…) Ze stond geen seconde stil, draaide haar lichaam naar alle kanten, rondspeurend met haar ogen, die alles zagen: ze zocht iets, ze hield iets in de gaten."

Jelmer beseft plots dat hij niet voor Nico, maar voor Daphne is gekomen en herinnert zich een citaat uit Vergilius' Aeneis: "Dit was de eerste dag van de dood en de eerste oorzaak van rampspoed." Nochtans lijkt er een kentering in zijn leven te komen. Daphne, die eens op archeologische expeditie met Nico in de Ardennen als zijn reddende engel was verschenen, toen haast dodelijk ziek was geworden nadat hij van vervuild beekwater had gedronken, zoekt weer contact met hem. Blijkbaar heeft ze onthouden dat hij een geheim kan bewaren. In haar verlovingstijd met Nico had Jelmer haar eens met een andere man 's nachts in een park gezien, maar niets aan Nico verteld. Sindsdien noemt ze hem "mijn beste", wat je in de loop van het verhaal steeds meer geneigd bent aan te vullen met 'pion'. Ze schrijven almaar intenser brieven naar elkaar, gevolgd door stiekeme telefoontjes, en hun wederzijdse partners beginnen verdenkingen te koesteren. Op een dag zegt Daphne: "Tussen ons moet alles uit zijn". Wat Jelmer de vraag doet stellen, wat er tussen hen dan wel is gebeurd. Tot een echte verhouding komt het immers nooit. De enige keer dat hij Daphne in het geheim op een hotelkamer ontmoet, mag hij enkel naar haar naakte lichaam kijken, maar haar niet aanraken. Intussen is hij een seksuele relatie begonnen met Gonneke, de moeder van een ander Down-kind, die hem na een van zijn trouwe zondagse bezoeken aan Hanneke in een dronken bui heeft verleid. Merkwaardig genoeg heeft Jelmer daarbij het gevoel dat hij niet Paula maar Daphne bedriegt.

Nog lang vóór zijn roman halfweg is, doet Brouwers iets wat je nooit van een beslagen auteur zou verwachten: hij laat Daphne haar geheim vertellen. Al sinds hun studentenjaren bedriegt ze Nico met haar zangleraar Johann Fahrenfurth, haar ware liefde, die ze al 25 jaar ontmoet. Haar man, vindt ze, komt niets tekort, en "wat niet bekend is, bestaat niet." Bovendien: "Zijn leven drijft op veiligheid en instinctief sluit hij zich af van alles wat die veiligheid zou kunnen bedreigen." Nico blijkt al vijfentwintig jaar haar alibi voor de vrouw van Johann, maar de vraag is welke rol Jelmer ten opzichte van Nico in haar dubbelleven speelt. Daphne houdt er nog meer opvattingen op na die falsifieerbaar blijken. Zo probeert ze Jelmer ervan te overtuigen dat angst niet bestaat. Je kunt ze immers, zo zegt ze, niet vastpakken, op een boterham smeren, op tafel zetten of aan de muur hangen. Voor Jelmer, die van zijn psychiater hopen pillen krijgt om zijn angst te onderdrukken en vaak letterlijk van angst in zijn broek doet, is het een loze bewering. En ondanks haar spiedende blik, waaraan niets lijkt te ontsnappen, blijkt ze buiten de waard te hebben gerekend. Een sensatiejournalist publiceert een ophefmakend verhaal over haar 'affaire' met Jelmer. Ook wat verkeerd is 'gezien', bestaat en heeft gevolgen. Haar eigen zoon brengt de bal bij Nico aan het rollen. Sibelijn, die de kalmte in persoon lijkt, wordt ervan beschuldigd dat zijn bekendste archeologische ontdekking een vervalsing is, waarbij hij Jelmer als bliksemafleider zou hebben gebruikt, en blijkt ook zelf een ongekende voorhistorische drift te bezitten.

Overspel en ondergang zitten bij Brouwers dus iets complexer in elkaar dan de bekendheid van de motieven doet vermoeden. Maar Geheime kamers gaat niet alleen daarover. Nico en Jelmer citeren in hun studententijd graag de gevleugelde woorden van professor Möser, die hen heeft ingewijd in de archeologie. "Wat wij moeten doen? Wij moeten de grotten in! Wat wij zoeken, dáár in de diepte moet het te vinden zijn." Nico delft in een Ardense grot een steen op uit het zwartst van de prehistorie, waarin tussen een wirwar van onbegrijpelijke logogrammen het hakenkruis uit de Hitlerjaren en het zogenaamde vredesteken van de hippies uit de jaren zeventig zijn gegrift. Er zijn meer passages in dit boek waarin naar extremen op onze tijdsas wordt verwezen, en prehistorie en gevorderde beschaving met elkaar worden geconfronteerd. Begin en slot spelen zich af in een museumzaal vol voorhistorische monsterdieren, de ene keer met een beschaafd converserend gezelschap, de andere keer met een aan scherven geschoten aquarium, een zondvloed van 'voorkalenderse watergedrochten, zeedraken, zwemmende pantservoertuigen'. In talrijke beelden duikt de idee op dat het leven, dat rust en harmonie slechts een eiland zijn te midden van een kolkende, alles verzwelgende chaos – het zwarte water van de dood. Het hoofdpersonage droomt vaak van stront in de mond en weggezogen worden in een stinkende riool. De woonark van Jelmer en Paula die vast op een basalten onderbouw in het water lijkt te rusten, komt los en geraakt op drift, net als hun huwelijk. Crisissituaties en ruzies gaan gepaard met noodweer, storm en watersnood.

Kort vóór het ontluisterende slot woont Jelmer een uitvoering bij van Haydns Die Schöpfung. Daphne vertolkt er, gedirigeerd door Fahrenfurth, de rol van Eva in een ode aan de schepping en de man-vrouwrelatie, die naast al wat er is voorafgegaan en wat volgt volkomen wereldvreemd en uit de lucht gegrepen lijkt. Een tenor zingt tot Adam en Eva, "het gelukkige paar dat het altijd gelukkig zal blijven, mits 'falscher Wahn euch nicht verführt, noch mehr zu wünschen, als ihr habt, und mehr zu wissen, als ihr sollt'". Maar na de schepping kwam de zondeval. Schrijnend realistisch zijn de taferelen van wat er van Jelmers en Paula's prille huwelijksgeluk is geworden. De schepping vertoont een fundamentele weeffout. "Wij gaan de diepte in, jij en ik", schertst de jonge Nico Sibelijn tegen Jelmer. Zijn woorden zijn, net als z'n naam, profetischer dan hij beseft. Jelmer staart verschillende keren naar het geslacht van de vrouwen met wie hij niet (meer) zal slapen. De diepte van wat Courbet schilderde als L'origine du monde blijft onpeilbaar.

Hoewel het bol staat van barokke symbolen van dood en verderf, en het romantische beeld van de droomprinses in scherven valt, is Geheime kamers geen cynisch, zelfs geen pessimistisch boek. Ook daarin blijkt het minder voorspelbaar dan het er eerst naar uitziet. De antiheld Jelmer, maatschappelijk een loser, die door de anderen zielig wordt gevonden, door hen wordt misbruikt en geboren lijkt voor het ongeluk, toont op onverwachte ogenblikken ruggengraat, een uitzonderlijk menselijk mededogen en tegenwoordigheid van geest. "Wie liegt, verandert zijn leven in fictie", beseft hij, het leugenlabyrint beu waarin Daphne hem heeft meegesleurd. Wanneer zijn geliefde dochter Hanneke op de kermis in een glashuis totaal haar weg verliest, snelt hij haar ter hulp: "Hanneke, beertje, papa komt naar je toe!" Als zijn vrouw hem voor haar minnaar uit de woonboot zet en zijn dochter uit haar instelling weg moet, neemt hij haar bij zich in zijn troosteloze flat. Als Daphne, in het nauw gedreven door haar echtgenoot, Jelmer een romantische dubbelzelfmoord voorstelt, noemt hij dat nuchter 'opera' en 'een tranentrekkende televisieserie': "Ik heb een taak, ik kan mijn dochter niet aan haar lot overlaten, ik ben geen fatalist, wie weet komt er, ooit, toch nog een gelukkige wending in mijn verbrokkeld bestaan, men hoeft de dood niet uit te nodigen, hij komt vanzelf." Dat is een nieuwe, realistischere toon bij Jeroen Brouwers, in een roman die qua taalkracht en symbolische geladenheid kan wedijveren met zijn beste werk.

                                                                                                                              Erik de Smedt
 

Jeroen Brouwers, Geheime kamers, Amsterdam: Atlas 2000. 488 p., 995 fr.

oorspronkelijk verschenen in Leesidee, december 2000